Arbocatalogus Afvalbranche KENNISMAKING

Dé arbostandaard voor alle bedrijven in de afvalsector!

Gezondheid

Goedgekeurd door Inspectie SZW

DME bij afvalinzamelvoertuig

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document
Beschrijving van het risico 

Dit onderdeel is van toepassing tijdens de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafval met een inzamelvoertuig, waarbij de medewerker het grootste deel van een werkdag in de directe omgeving werkzaam is van een rijdende dieselaangedreven afvalinzamelwagen. De werkgever is wettelijk verplicht dieselaangedreven voertuigen uit te faseren of schriftelijk onder­bouwen waarom vervanging voor een specifieke toepassing niet mogelijk is. Dit geldt ook voor buitensituaties. Het gaat in ieder geval om (kleine) vrachtwagens en bestelwagens, waarvoor alternatieven beschikbaar zijn zoals een elektrisch aangedreven, een LPG-aangedreven, een waterstofaangedreven of gasmotor met uitlaatkatalysator, indien dit technisch haalbaar is.

Zie verder de uitgebreide toelichting op het terugbrengen van blootstelling aan DME tot een zo laag mogelijk niveau op: Risicogroep dieselmotoremissies.

Situatie 1

Er is géén blootstelling aan DME door bronnen in de werksituatie. De bron van DME is weggenomen. Er is een alternatief zonder dieselmotoremissies zoals een elektrisch aangedreven, een LPG-aangedreven, een waterstofaangedreven motor of een gasmotor met uitlaatkatalysator.

Maatregel: geen.

Situatie 2

De afvalinzamelwagen is voorzien van een Euro-6 motor of heeft een effectief roetfilter.

Maatregelen: 

  • alle aanvullende technische maatregelen
  • alle organisatorische maatregelen

Situatie 3

De afvalinzamelwagen is een EEV of heeft een Euro-5 motor of lager zonder effectief roetfilter.

Maatregelen:

  • beperken emissie van afvalinzamelvoertuig
  • alle aanvullende technische maatregelen
  • alle aanvullende organisatorische maatregelen
Wet en regelgeving 
Meer informatie 
  • Basisinspectiemodule van Inspectie SZW Blootstelling aan dieselmotoremissies (DME) juli 2020
  • Advies Gezondheidsraad 2019: Er is geen veilig blootstellingsniveau aan te geven voor de blootstelling aan roetdeeltjes van dieselmotoremissies. Er is een streefrisiconiveau en een verbodsrisiconiveau afgeleid van respectievelijk 0,011 microgram (µg) respirabele elementaire koolstofdeeltjes per kubieke meter (m³) lucht en 1,03 µg/m³.
  • SER advies grenswaarde emissie dieselmotoren, 20 december 2019
  • Op voorstel van sociale partners heeft de Minister SZW besloten om per 1 juli 2020 een wettelijke (publieke) grenswaarde van 10 µg respirabele elementaire koolstofdeeltjes per m³ (10 µg EC/m³) in te voeren. Na 4 jaar zal worden bezien of verlaging van de wettelijke grenswaarde mogelijk is in de richting van de gezondheidskundige streefwaarde.
  • Bedrijven die geconfronteerd worden met haalbaarheidsproblemen dienen in een plan van aanpak aan te geven hoe aan de wettelijke grenswaarde van 10 microgram/m³ wordt voldaan en, zolang de haalbaarheidsproblemen bestaan, op welke wijze tijdelijk beschermende maatregelen worden ingezet.
  • Staatscourant, Regeling van de Staatssecretarisvan Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 juni 2020, nr. 2020-0000068933, tot wijziging van Bijlage XIII van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de invoering van een wettelijke grenswaarde voor dieselmotoremissies
  • EU Richtlijn(EU) 2019/130 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk
Goedgekeurd door Inspectie SZW

DME bij gebruik van heftruck

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document
Beschrijving van het risico 

In veel bedrijven worden voor de laad- en loshandelingen vorkheftrucks en reachtrucks gebruikt. Deze arbeidsmiddelen rijden alleen in het magazijn, loods, op- of overslaghal rijden of afwisselen dit af met het rijden op het buitenterrein. Voor buitensituaties geldt dat de werkgever een dieselaangedreven hef- of reachtruck moet uitfaseren of schriftelijk onderbouwen waarom vervanging in het specifieke geval niet mogelijk is.
Zie verder de uitgebreide toelichting op het terugbrengen van blootstelling aan DME tot een zo laag mogelijk niveau op: Risicogroep dieselmotoremissies.

Situatie 1

  • De vorkheftruck of reachtruck is elektrisch aangedreven.
  • De goederen worden geladen of gelost met een elektrisch aangedreven bovenloopkraan.
  • De vorkheftruck of reachtruck is aangedreven met waterstof, aardgas of LPG, waarbij de LPG-aangedreven vorkheftruck of reachtruck voorzien is van een katalysator.
  • In overleg met de afzender is het gewicht van de goederen dusdanig verlaagd dat een elektrisch aangedreven vorkheftruck tot 8 ton of een elektrisch aangedreven reachtruck tot 8 ton volstaat.

Maatregelen: geen

Situatie 2

  • De dieselaangedreven vorkheftruck of reachtruck heeft een Stage 3b motor of Tier 4 of hoger.
  • De dieselaangedreven vorkheftruck of reachtruck met een Stage 1, 2 of 3a motor of Tier 1, 2 of 3 motor is voorzien van een effectief roetfilter.  

Maatregelen zijn afhankelijk van de lastcapaciteit en de leeftijd van het arbeidsmiddel: 

  • Heftruck tot 8 ton:
    • verbod op het gebruik in de binnensituaties indien aangeschaft na 1 juli 2020
  • Heftruck tot 4 ton van iedere leeftijd:
    • verplichte vervangingsmaatregel in binnensituatie of het arbeidsmiddel definitief weren uit de binnensituatie
  • Heftruck 4 tot 8 ton en op het moment van bezoek door Inspectie SZW 5 jaar of ouder:
    • verplichte vervanging binnen 6 maanden na bezoek van Inspectie SZW of het arbeidsmiddel definitief weren uit de binnensituatie
  • Heftruck 4 tot 8 ton en op het moment van bezoek door Inspectie SZW jonger dan 5 jaar:
    • verplichte vervanging of definitief weren uit de binnensituatie zodra het arbeidsmiddel 5 jaar of ouder is met een minimum termijn van 6 maanden
  • Heftruck meer dan 8 ton:
    • maatregel verminderen DME-blootstelling bij gebruik van heftruck vanaf 8 ton
    • alle aanvullende technische maatregelen
    • alle aanvullende organisatorische maatregelen

Let op: Inspectie SZW zal de vervangingsplicht voor vorkheftrucks en reachtrucks in de toekomst opleggen voor arbeidsmiddelen tot 12 ton, in ieder geval zodra dit technisch haalbaar is. Hiermee moet rekening worden gehouden omdat dit summier in 2020 en uitgebreid in 2019  is gepubliceerd voor zowel binnensituaties als buitensituaties (bron: Basisinspectiemodule Blootstelling aan dieselmotoremissies, 2019).

Situatie 3

De dieselaangedreven hef- en reachtruck heeft een Stage 1, 2 of 3a motor of Tier 1, 2 of 3 motor en is niet voorzien van een effectief roetfilter.

Maatregelen zijn afhankelijk van de lastcapaciteit en de leeftijd van het arbeidsmiddel:

  • Heftruck tot 8 ton:
    • verbod op het gebruik in de binnensituaties indien aangeschaft na 1 juli 2020
  • Heftruck tot 4 ton van iedere leeftijd:
    • verplichte vervangingsmaatregel in binnensituatie of het arbeidsmiddel definitief weren uit de binnensituatie
    • in de buitensituatie voorzien van effectief roetfilter en andere maatregelen om de blootstelling aan DME zoveel mogelijk te verminderen
  • Heftruck 4 tot 8 ton en op het moment van bezoek door Inspectie SZW 5 jaar of ouder:
    • zolang vervanging nog niet is gerealiseerd: voorzien van effectief roetfilter en andere maatregelen om de blootstelling aan DME zoveel mogelijk te verminderen
    • verplichte vervanging binnen 6 maanden na bezoek van Inspectie SZW of het arbeidsmiddel definitief weren uit de binnensituatie
  • Heftruck 4 tot 8 ton en op het moment van bezoek door Inspectie SZW jonger dan 5 jaar:
    • zolang vervanging nog niet is gerealiseerd: voorzien van effectief roetfilter en andere maatregelen om de blootstelling aan DME zoveel mogelijk te verminderen

    • verplichte vervanging of definitief weren uit de binnensituatie zodra het arbeidsmiddel 5 jaar of ouder is met een minimum termijn van 6 maanden
  • Heftruck meer dan 8 ton:
    • maatregel verminderen DME-blootstelling bij gebruik van heftruck vanaf 8 ton
    • alle aanvullende technische maatregelen
    • alle aanvullende organisatorische maatregelen

Let op: Inspectie SZW zal in de toekomst de vervangingsplicht voor vorkheftrucks en reachtrucks opleggen voor arbeidsmiddelen tot 12 ton, in ieder geval zodra dit technisch haalbaar is. Hiermee moet rekening worden gehouden omdat dit summier in 2020 en uitgebreid in 2019 is gepubliceerd voor zowel binnensituaties als buitensituaties (bron: Basisinspectiemodule Blootstelling aan dieselmotoremissies, 2019).

Wet en regelgeving 
Meer informatie 
  • Basisinspectiemodule van Inspectie SZW Blootstelling aan dieselmotoremissies (DME) juli 2020
  • Advies Gezondheidsraad 2019: Er is geen veilig blootstellingsniveau aan te geven voor de blootstelling aan roetdeeltjes van dieselmotoremissies. Er is een streefrisiconiveau en een verbodsrisiconiveau afgeleid van respectievelijk 0,011 microgram (µg) respirabele elementaire koolstofdeeltjes per kubieke meter (m³) lucht en 1,03 µg/m³.
  • SER advies grenswaarde emissie dieselmotoren, 20 december 2019
  • Op voorstel van sociale partners heeft de Minister SZW besloten om per 1 juli 2020 een wettelijke (publieke) grenswaarde van 10 µg respirabele elementaire koolstofdeeltjes per m³ (10 µg EC/m³) in te voeren. Na 4 jaar zal worden bezien of verlaging van de wettelijke grenswaarde mogelijk is in de richting van de gezondheidskundige streefwaarde.
  • Bedrijven die geconfronteerd worden met haalbaarheidsproblemen dienen in een plan van aanpak aan te geven hoe aan de wettelijke grenswaarde van 10 microgram/m³ wordt voldaan en, zolang de haalbaarheidsproblemen bestaan, op welke wijze tijdelijk beschermende maatregelen worden ingezet.
  • Staatscourant, Regeling van de Staatssecretarisvan Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 juni 2020, nr. 2020-0000068933, tot wijziging van Bijlage XIII van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de invoering van een wettelijke grenswaarde voor dieselmotoremissies
  • EU Richtlijn(EU) 2019/130 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk
Overeenstemming tussen werknemers en werkgevers

Biologisch actief stof (C)

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document
Beschrijving van het risico 

Bij het composteringsproces van gft-afval en groenafval komen medewerkers in contact met biologisch actief stof. Dit geldt voor alle werknemers in composteerbedrijven, inclusief de ambulante productiefuncties zoals operator, algemeen medewerker, schoonmaker en onderhoudsmedewerker en ook medewerkers op kantoorafdelingen daar waar lucht uit de composteerhal binnendringt. Bij de compostering is het niet mogelijk om blootstelling aan biologisch actief stof geheel te voorkomen, wel kan de blootstelling worden geminimaliseerd en zodanig worden beperkt dat werknemers geen nadelige gezondheidseffecten van het stof ondervinden. De mate van blootstelling is het grootst bij gft-compostering waar gft-afval inpandig in een hal onder hoge temperaturen wordt in compost omgezet wordt. Het risico speelt aanzienlijk minder bij groencompostering op terreinen in de openlucht en blijft verder buiten beschouwing.

Definitie

In de afvalbranche is 'biologisch actief stof' een verzamelnaam voor deeltjes die in de lucht zweven waaraan zich verschillende componenten kunnen hechten, zoals chemische verbindingen, restanten van micro-organismen (endotoxinen en mycotoxinen) en andere organische oorsprong, en mogelijk levende micro-organismen (formeel biologische agentia genoemd); micro-organismen zijn bacteriën, virussen, schimmels en gisten.

Blootstelling

De samenstelling van biologisch actief stof is afhankelijk van het type afval en de opslagduur van het afval. De groei van de micro-organismen wordt voornamelijk gestimuleerd door de aanwezigheid van water, voedingsstoffen, en een gunstige temperatuur. Daarnaast spelen tijd, licht, zuurstofgehalte en de zuurgraad een rol. Een belangrijke voorwaarde om aan biologisch actief stof te worden blootgesteld is dat er een transportmedium aanwezig is. Transportmedia zijn dampen, vloeistofdruppels, vocht, vuil en stof.

De belangrijkste bronnen van micro-organismen in composteerbaar afval, ook wel aangeduid als gft-afval (groente-, fruit- en tuinafval) of gfe-afval (groente- en fruitafval en etensresten), zijn voedselresten en dierlijke fecaliën, meestal afkomstig van honden en katten. Dit betekent dat blootstelling aan bepaalde zoönotische agentia (bacteriën met een dierlijke oorsprong) mogelijk is bijvoorbeeld Toxoplasma gondii, Toxocara canis en Yersinia spp. De concentratie van dergelijke organismen is meestal echter niet hoog genoeg om ziekte te veroorzaken.
Ook blootstelling aan (sporen van) bepaalde schimmels (Penicillium spp. en Aspergillus fumigatus) van rottend en schimmelend materiaal komt voor. Door stijging van de temperatuur van het gft-materiaal tijdens het composteringsproces neemt de concentratie van bacteriën (thermofiele Actinomyceten) en schimmels aanmerkelijk toe. De variatie aan bacteriën is gigantisch. Met name als het composteringsproces in een hal plaatsvindt, kunnen grote gezondheidsrisico’s optreden als handelingen met het materiaal zonder beschermende maatregelen worden uitgevoerd zoals het omzetten van het gft-afval (bron: AI-blad-9 - Biologische agentia, bijlage 2, paragaaf 2.7.2).

Naast bovenvermelde micro-organismen zijn mogelijke biologische ziekteverwekkers E. coli en andere pathogene darmbacteriën, Clostridium tetani, Toxoplasma en andere parasieten, Hantavirus, Hepatitis A, Hepatitis B en andere pathogene virussen. Naast de blootstelling aan micro-organismen zijn endotoxinen (resten van dode bacteriën) in zowel gft-afval als compost een belangrijke risicocomponent.

Functies met blootstelling

Er is blootstelling op werkplekken waar gft-afval en groenafval wordt gestort of overgestort, verkleind en/of gehakseld en gezeefd. De momenten waarop tijdens het composteerproces blootstelling aan biologisch actief stof kan plaatsvinden zijn:

  • bij storten van gft-afval en groenafval op de verwerkingslocatie
  • rondom specifieke machines waaronder verkleiners, luchtscheiders en zeven
  • aersolvorming bij verneveling van water om stofverspreiding te voorkomen
  • verlading van compost in containers en vrachtwagens
  • acceptant bij controleren en monstername van aangevoerd gft-afval en groenafval
  • machinist ontvangst gft
  • productiemedewerker voorbewerking
  • machinist composteerhal
  • productiemedewerker nabewerking
  • chauffeur shovel/bobcat
  • wachtchef
  • uitblazen en vervanging van stoffilters van arbeidsmiddelen en installaties
  • onderhoudspersoneel van arbeidsmiddelen en voertuigen en installaties waaronder afzuiginstallaties en stoffilters in hallen
  • analist monster van aangevoerd gft-afval

Tevens is (secundaire) blootstelling mogelijk bij het niet dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen en werkkleding, onzorgvuldig gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, onvoldoende onderhoud van persoonlijke beschermingsmiddelen, niet ontsmetten of reinigen van werkkleding, bij verplaatsen van vervuilde werkkleding naar schone ruimtes, contact met andere medewerkers en dergelijke.

Vergaande mechanisatie van de bedrijfsprocessen zorgt ervoor dat werknemers in kleinere aantallen en gedurende een kortere tijd bij het gft-afval aanwezig zijn.

Daarnaast worden medewerkers in kantoorfuncties blootgesteld indien lucht vanuit een naastgelegen composteerhal de kantoorruimten kan binnendringen.

Gezondheidseffecten

Medewerkers van composteerbedrijven worden met name via inademing van stof blootgesteld en in mindere mate via huidopname. Biologisch actief stof moet dus niet in de ademzone voorkomen. Stof dat wordt ingeademd kan effecten in de luchtwegen geven, zoals ontstekingen of allergische reacties. Als het stof op de huid terecht komt, kan het infecties aan de huid veroorzaken en eczeem-achtige klachten geven.

Omdat de mens voor alles dat het lichaam binnendringt natuurlijke afweermechanismen heeft, zal niet elk contact met biologisch actief stof tot gezondheidseffecten leiden. Belangrijke factoren hierbij zijn de hoeveelheid stof, de samenstelling van het stof en de mate waarin deeltjes die aan het stof gehecht zijn ziekmakend vermogen hebben. De kans op gezondheidseffecten is bij groencompostering in de buitenlucht vanwege vermenging met schone lucht lager dan bij het composteringsproces in een hal.

Welke maatregelen zijn verplicht?

De werkgever is verplicht om de blootstelling aan biologisch actief stof te beoordelen. Indien de blootstelling te hoog is, is het verplicht om maatregelen te nemen om de blootstelling te beheersen. Een zeer effectieve maatregel is het Gebruiken van een overdrukcabine op mobiele arbeidsmiddelen. Bij zorgvuldig gebruik en periodiek onderhoud geeft de overdrukcabine voldoende bescherming tegen blootstelling aan biologisch actief stof. Daarnaast zijn ook onderstaande maatregelen verplicht; klik voor de inhoud van de betreffende maatregel in de tabel geheel onderaan op deze pagina:

  • Beschrijven biologisch actief stof en maatregelen in RI&E
  • Voorlichten over biologisch actief stof
  • Paragraaf Wat is verplicht? van Dragen werkkleding op het bedrijfsterrein en in installaties
  • Bieden goede sanitaire voorzieningen
  • Verbieden van roken, drinken en eten tijdens het werk
  • Vermijden van stof aan de bron
  • Aanbrengen van afgezogen omkasting
  • Afschermen van transportbanden
  • Minimaliseren blootstelling van werknemers
  • Aanbieden van vaccinatie hepatitis A, hepatitis B en tetanus
  • Medisch behandelen na prik- of snij-incident

Bij ongeval of incident met biologisch agens van categorie 3 of 4 dat kan leiden of heeft geleid tot besmetting van een werknemer:

  • Zo spoedig mogelijk melding aan Inspectie SZW doen

Voor naast een composterinstallatie gelegen kantoren met medewerkers met een administratieve functie:

  • Filteren toevoerlucht kantoorruimte composteerbedrijven

Bij betreding van de composteerhal:

  • toepassen procedures voor veilig betreden van, gas meten in en spoelen van een composteerhal
  • toepassen procedures bij het uitvoeren van groot onderhoud in de composteerhal
  • indien in het composteerbedrijf voorschreven: toepassen werkvergunning

Bij gebruik van arbeidsmiddelen zoals shovels en compactors:

  • gebruiken van overdrukcabine op mobiele arbeidsmiddelen

Indien direct contact met afval mogelijk is:

Voor de beheersing van de legionellabacterie:

Persoonlijke beschermingsmiddelen zijn noodzakelijk om de stofblootstelling onder 1 mg/m³ (tijdgewogen gemiddelde via persoonlijke monstername bepaald) te houden conform de richtlijn adembescherming bij bioconversie van gft-afval

  • Gebruiken adembeschermingstofblootstelling
  • Gebruiken persoonlijke beschermingmiddelen
  • Voorlichten over het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen
Wet en regelgeving 
Meer informatie 
Overeenstemming tussen werknemers en werkgevers

Biologisch actief stof (I)

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document
Beschrijving van het risico 

Bij het inzamelen van huishoudelijk afval, bedrijfsafval of op de milieustraat komen medewerkers mogelijk in contact met biologisch actief stof. De werkgever moet maatregelen nemen om blootstelling aan biologisch actief stof te voorkomen of te beperken indien de blootstelling eraan te hoog is. Bij de afvalinzameling is het niet mogelijk om blootstelling aan biologisch actief stof geheel te voorkomen, wel kan de blootstelling worden geminimaliseerd en zodanig worden beperkt dat werknemers geen nadelige gezondheidseffecten van het stof ondervinden.

Definitie

In de afvalbranche is 'biologisch actief stof' een verzamelnaam voor deeltjes die in de lucht zweven waaraan zich verschillende componenten kunnen hechten, zoals chemische verbindingen, restanten van micro-organismen (endotoxinen en mycotoxinen) en andere organische oorsprong, en mogelijk levende micro-organismen (formeel biologische agentia genoemd); micro-organismen zijn bacteriën, virussen, schimmels en gisten.

Blootstelling

De samenstelling van stof is ondermeer afhankelijk van het type afval en de opslagduur van het afval. De groei van de micro-organismen wordt voornamelijk gestimuleerd door de aanwezigheid van water, voedingsstoffen, en een gunstige temperatuur. Daarnaast spelen tijd, licht, zuurstofgehalte en de zuurgraad een rol. Een belangrijke voorwaarde om aan micro-organismen te worden blootgesteld is dat er een transportmedium aanwezig is. Transportmedia zijn dampen, vloeistofdruppels, vocht, vuil en stof.

De volgende ziekteverwekkende micro-organismen zijn in ingezameld afval te verwachten: Campylobacter, Salmonella, Toxocara canis, Toxoplasma Gondii, de schimmelssoorten Penicillium en Aspergillus, Yersina, Tetanus en micro-organismen uit dierlijk weefsel, dierlijke bijproducten, dierlijke faeces van huisdieren, groentenresten, fruitafval, tuinafval, voedselresten en dergelijke en uiteraard micro-organismen die behoren tot de productieprocessen van een afvalontdoener.

Functies met blootstelling

De momenten waarop medewerkers tijdens de inzameling worden blootgesteld aan biologisch actief stof zijn:

  • Contact met vuile handen tijdens eten, drinken en roken
  • Het controleren van containers op inhoud
  • Het legen van de containers in de hopperbak
  • Het samenpersen van het afval, waarbij afval (stof) kan wegspringen doordat een vuilniszak open springt
  • Het lossen van afval bij de verwerker waar in de storthal een stoffige atmosfeer aanwezig kan zijn
  • Het wassen van het voertuig, waarbij de waternevel voor verspreiding in de lucht zorgt
  • Contact met het percolaatwater
  • Incidenten met afval, zoals snijden aan glas en scherpe voorwerpen, prikken aan naalden en spijkers en het krijgen van vuil (stof) in de ogen

Vuilniszakken, minicontainers, rolcontainers en de hele vuilniswagen zitten vol met stof en micro-organismen, alleen is de blootstelling afhankelijk of de ontvanger met het vocht, stof of vuil in aanraking komt. Uit onderzoek blijkt dat de belader de hoogste blootstelling ondervindt, gevolgd door de chauffeur/belader die rouleert; een medewerker die alleen chauffeert of op de milieustraat werkt ondervindt de laagste blootstelling. De blootstelling van inzamelaars is de afgelopen jaren afgenomen als gevolg van de toegenomen mechanisering. Al in de jaren negentig was er bij de afvalinzameling geen noodzaak tot het nauwkeurig monitoren van de stofblootstelling. Desondanks dient stofblootstelling uiteraard zoveel mogelijk te worden vermeden.

Gezondheidseffecten

De blootstelling van medewerkers is met name via inademing van stof en in veel mindere mate via huidopname. Biologisch actief stof moet dus niet in de ademzone voorkomen. Stof dat wordt ingeademd kan effecten in de luchtwegen geven, zoals ontstekingen of allergische reacties. Als het stof op de huid terecht komt, kan het infecties aan de huid veroorzaken en eczeem-achtige klachten geven.

Omdat de mens voor alles dat het lichaam binnendringt natuurlijke afweermechanismen heeft, zal niet elk contact met biologisch actief stof tot gezondheidseffecten leiden. Belangrijke factoren hierbij zijn de hoeveelheid stof, de samenstelling van het stof en de mate waarin deeltjes die aan het stof gehecht zijn ziekmakend vermogen hebben. De kans op gezondheidseffecten is bij werkzaamheden in de buitenlucht lager dan in een ruimte vanwege de vermenging met schone lucht.

Een laatste opmerking:
Vanwege de tegelijkertijd aanwezige hoge concentratie stof waar afvalinzamelaars aan blootstaan, is de oorsprong van eventuele klachten van de ademhalingswegen vaak niet goed te achterhalen. Echter: aangenomen mag worden dat blootstelling aan schimmels en bacteriën hierbij een rol speelt (Bron: AI-blad-9 - Biologische agentia, bijlage 2, par. 2.7.1 Algemeen).

Welke maatregelen zijn verplicht?

De werkgever is verplicht om de blootstelling aan biologisch actief stof te beoordelen. Indien de blootstelling te hoog is, is het verplicht om maatregelen te nemen om de blootstelling te beheersen. Een zeer effectieve maatregel is het Gebruiken van een overdrukcabine op mobiele arbeidsmiddelen. Bij zorgvuldig gebruik en periodiek onderhoud geeft de overdrukcabine voldoende bescherming tegen blootstelling aan biologisch actief stof. Daarnaast zijn ook onderstaande maatregelen verplicht; klik voor de inhoud van de betreffende maatregel in de tabel geheel onderaan op deze pagina:

  • Beschrijven biologisch actief stof en maatregelen in RI&E
  • Voorlichten over biologisch actief stof
  • Bieden goede sanitaire voorzieningen
  • Verbieden van roken, drinken en eten tijdens het werk
  • Bij Inzameling: Paragraaf Wat is verplicht? van Dragen zichtkleding door afvalbeladers
  • Bij Milieustraat: Paragraaf Wat is verplicht? van Dragen werkkleding milieustraat
  • Minimaliseren blootstelling van werknemers
  • Aanbieden van vaccinatie hepatitis A, hepatitis B en tetanus
  • Medisch behandelen na prik- of snij-incident

Bij ongeval of incident met biologisch agens van categorie 3 of 4 dat kan leiden of heeft geleid tot besmetting van een werknemer:

  • Zo spoedig mogelijk melding aan Inspectie SZW doen

Aandachtspunt bij het ontwerpen van inzamelsystemen:

  • Vermijden van stof aan de bron

Indien van toepassing:

Voor de beheersing van de legionellabacterie:

Wet en regelgeving 
Overeenstemming tussen werknemers en werkgevers

Biologisch actief stof (V)

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document
Beschrijving van het risico 

Medewerkers werkzaam in de afvalverbranding komen met name tijdens het werk in en rond de afvalstoffenbunker, in aanraking met biologisch actief stof. Bij het verbrandingsproces is het niet mogelijk om blootstelling aan biologisch actief stof geheel te voorkomen, wel kan de blootstelling worden geminimaliseerd en zodanig worden beperkt dat werknemers geen nadelige gezondheidseffecten van het stof ondervinden.

Definitie

In de afvalbranche is 'biologisch actief stof' een verzamelnaam voor deeltjes die in de lucht zweven waaraan zich verschillende componenten kunnen hechten, zoals chemische verbindingen, restanten van micro-organismen (endotoxinen en mycotoxinen) en andere organische oorsprong, en mogelijk levende micro-organismen (formeel biologische agentia genoemd); micro-organismen zijn bacteriën, virussen, schimmels en gisten.

Blootstelling

De samenstelling van biologisch actief stof is afhankelijk van het type afval en de opslagduur van het afval. De groei van de micro-organismen wordt voornamelijk gestimuleerd door de aanwezigheid van water, voedingsstoffen, en een gunstige temperatuur. Daarnaast spelen tijd, licht, zuurstofgehalte en de zuurgraad een rol. Een belangrijke voorwaarde om aan micro-organismen te worden blootgesteld is dat er een transportmedium aanwezig is. Transportmedia zijn dampen, vloeistofdruppels, vocht, vuil en stof.

Na de verbranding in de AEC, BEC of SVI is geen blootstelling aan micro-organismen te verwachten met uitzondering van het verhelpen van procesverstoringen op het verbrandingsrooster, de ontslakker en in de slakkenbunker wanneer afval onvolledig verbrand is.

Functies met blootstelling

De momenten waarop medewerkers van verbrandingsinstallaties worden blootgesteld aan biologisch actief stof zijn:

  • operator installatie reststoffen verwerking
  • schoonmaakpersoneel
  • onderhoudspersoneel
  • wachtchef installatie

Indien een gesloten transportsysteem of onderdeel van de installatie op overdruk zoals het vliegastransportsysteem lekkage vertoont dan kan biologisch actief stof zich in het gebouw verspreiden en de oorzaak zijn van langdurige blootstelling aan lage concentraties.

Gezondheidseffecten

Medewerkers worden met name via inademing van stof en in mindere mate via huidopname. Biologisch actief stof moet dus niet in de ademzone voorkomen. Stof dat wordt ingeademd kan effecten in de luchtwegen geven, zoals ontstekingen of allergische reacties. Als het stof op de huid terecht komt, kan het infecties aan de huid veroorzaken en eczeem-achtige klachten geven.

Omdat de mens voor alles dat het lichaam binnendringt natuurlijke afweermechanismen heeft, zal niet elk contact met biologisch actief stof tot gezondheidseffecten leiden. Belangrijke factoren hierbij zijn de hoeveelheid stof, de samenstelling van het stof en de mate waarin deeltjes die aan het stof gehecht zijn ziekmakend vermogen hebben. De kans op gezondheidseffecten is bij werkzaamheden in de buitenlucht lager dan in een bunker vanwege de vermenging met schone lucht.

Welke maatregelen zijn verplicht?

De werkgever is verplicht om de blootstelling aan biologisch actief stof te beoordelen. Indien de blootstelling te hoog is, is het verplicht om maatregelen te nemen om de blootstelling te beheersen. Een zeer effectieve maatregel is het Gebruiken van een overdrukcabine op mobiele arbeidsmiddelen. Bij zorgvuldig gebruik en periodiek onderhoud geeft de overdrukcabine voldoende bescherming tegen blootstelling aan biologisch actief stof. Daarnaast zijn ook onderstaande maatregelen verplicht; voor de inhoud van de betreffende maatregel in de tabel geheel onderaan op deze pagina:

  • Beschrijven biologisch actief stof en maatregelen in RI&E
  • Voorlichten over biologisch actief stof
  • Bieden goede sanitaire voorzieningen
  • Verbieden van roken, drinken en eten tijdens het werk
  • Vermijden van stof aan de bron
  • Aanbrengen van afgezogen omkasting
  • Afschermen van transportbanden
  • Paragraaf Wat is verplicht? van Dragen werkkleding op het bedrijfsterrein en in installaties
  • Minimaliseren blootstelling van werknemers
  • Aanbieden van vaccinatie hepatitis A, hepatitis B en tetanus
  • Medisch behandelen na prik- of snij-incident

Bij ongeval of incident met biologisch agens van categorie 3 of 4 dat kan leiden of heeft geleid tot besmetting van een werknemer:

  • Zo spoedig mogelijk melding aan Inspectie SZW doen

Bij blootstelling tijdens het werken met reststoffen:

  • zie voor aanvullende maatregelen bij het risico Reststoffen

Bij betreding van een hal:

  • toepassen procedures voor veiligstellen en werkwijze bij ketelrevisie
  • indien in het composteerbedrijf voorschreven: toepassen werkvergunning

Bij gebruik van arbeidsmiddelen zoals kranen, shovels en compactors:

  • gebruiken van overdrukcabine op mobiele arbeidsmiddelen

Indien persoonlijke beschermingsmiddelen noodzakelijk zijn om de blootstelling voldoende te beheersen conform de richtlijn adembescherming bij bioconversie van gft-afval

  • Gebruiken adembescherming stofblootstelling
  • Gebruiken persoonlijke beschermingmiddelen
  • Voorlichten over het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen
Wet en regelgeving 
Overeenstemming tussen werknemers en werkgevers

Biologisch actief stof (B)

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document
Beschrijving van het risico 

Bij het bewerken van huishoudelijk en bedrijfsafval komen medewerkers in contact met biologisch actief stof, vooral bij het verwerken van swill (restaurantafval), het handmatig sorteren van afval, en ook bij het storten, verkleinen, zeven en overslaan van afval. De werkgever moet maatregelen nemen om blootstelling aan biologisch actief stof te voorkomen of te beperken indien de blootstelling eraan te hoog is. Bij de afvalbewerking is het niet mogelijk om blootstelling aan biologisch actief stof geheel te voorkomen, wel kan de blootstelling worden geminimaliseerd en zodanig worden beperkt dat werknemers geen nadelige gezondheidseffecten van het stof ondervinden.

Definitie

In de afvalbranche is 'biologisch actief stof' een verzamelnaam voor deeltjes die in de lucht zweven waaraan zich verschillende componenten kunnen hechten, zoals chemische verbindingen, restanten van micro-organismen (endotoxinen en mycotoxinen) en andere organische oorsprong, en mogelijk levende micro-organismen (formeel biologische agentia genoemd); micro-organismen zijn bacteriën, virussen, schimmels en gisten.

Blootstelling

De samenstelling van stof is ondermeer afhankelijk van het type afval en de opslagduur van het afval. De groei van de micro-organismen wordt voornamelijk gestimuleerd door de aanwezigheid van water, voedingsstoffen, en een gunstige temperatuur. Daarnaast spelen tijd, licht, zuurstofgehalte en de zuurgraad een rol. Een belangrijke voorwaarde om aan micro-organismen te worden blootgesteld is dat er een transportmedium aanwezig is. Transportmedia zijn dampen, vloeistofdruppels, vocht, vuil en stof. De volgende ziekteverwekkende micro-organismen zijn in afval te verwachten: Campylobacter, Salmonella, Toxocara canis, Toxoplasma Gondii, de schimmelssoorten Penicillium en Aspergillus, Yersina, Tetanus en micro-organismen uit dierlijk weefsel, dierlijke bijproducten, dierlijke faeces van huisdieren, groentenresten, fruitafval, tuinafval, voedselresten en dergelijke en uiteraard micro-organismen die behoren tot de productieprocessen van een afvalontdoener.

Handelingen met blootstelling

Verschillende afvaltypen worden gescheiden ingezameld zoals klein chemisch of gevaarlijk afval en organisch afval, blik- en glasafval en oud papier. Elk type afval kan bij de verwerking ervan specifieke gezondheidsrisico’s meebrengen ten aanzien van endotoxinen en micro-organismen die zich in specifieke afvalstromen bevinden (onderstaande afvalstromen zijn mede gebaseerd op: bijlage 2 van AI-blad-9 Biologische agentia):

  • Plastic, Metaal en Drankkartons (PMD)
    Uit gescheiden inzameling van PMD of nascheiding met een sorteerinstallatie voor verpakkingsmateriaal ontstaan verschillende fracties verpakkingsmateriaal zoals kunststof verpakkingen, metalen verpakkingen en drankkartons. Bij het handmatig behanden van deze afvalfracties in sorteerinstallaties is het belangrijkste risico het oplopen van een infectie door snij- of prikverwondingen. De bron van biologische agentia in dit materiaal zijn de hoge concentraties schimmels, bacteriën, endotoxinen en stof die in drank- en voedselresten ontstaan.
  • Glas en blik
    Glasafval wordt (handmatig) gesorteerd op kleur. Papier van blikken wordt handmatig verwijderd. Het belangrijkste risico voor verwerkers van glas- en blikafval lijkt infectie van bij het werk opgelopen snijwonden te zijn. Van infecties zijn voedselresten de belangrijkste bron.
  • Oud papier
    Bevuild papier en karton kunnen hoge concentraties micro-organismen bevatten, met name Gram-negatieve bacteriën waarbij blootstelling aan endotoxinen relevant is.
  • Restafval
    De belangrijkste bronnen van micro-organismen zijn wegwerpluiers, faecaliën van huisdieren (honden en katten) en voedselresten die zijn achtergebleven in verpakkingsmateriaal. Dit kan resulteren in hoge concentraties schimmels, bacteriën, endotoxinen en stof naast de potentiële aanwezigheid van injectienaalden en andere scherpe voorwerpen met kans op prikaccidenten.
  • Afval van dierlijke herkomst (destructiebedrijven)
    Werknemers die betrokken zijn bij het transport en de overslag van kadavers kunnen worden blootgesteld aan diverse ziekteverwekkers zoals miltvuur, brucellose, Q-koorts, vlekziekte, streptokokkenmeningitis, maagdarmklachten als gevolg van besmetting met darmpathogenen en ringworm, maar direct contact met de kadavers wordt effectief beheerst door mechanisatie van de werkzaamheden.
  • Ziekenhuisafval met humaan materiaal
    Blootstelling aan ziekenhuisafval met menselijk materiaal dat bijvoorbeeld bij operaties verwijderd weefsel, humane celkweken, met bloed gecontamineerde injectiespuiten, gebruikt verband en dergelijke is niet te verwachten omdat dit afval in lekvrije vaten naar een speciale verwerkingsinstallatie voor ziekenhuisafval wordt getransporteerd.

Functies met blootstelling

De momenten waarop tijdens de bewerking blootstelling aan biologisch actief stof kan plaatsvinden zijn:

  • bij storten van afval op de verwerkingslocatie
  • rondom specifieke machines waaronder verkleiners, luchtscheiders en zeven
  • aersolvorming bij verneveling van water om stofverspreiding te voorkomen
  • verlading van eindproducten in containers en vrachtwagens
  • acceptant bij controleren van en monstername uit aangevoerde vracht afval
  • medewerker buitenterrein langdurige blootstelling
  • shovelmachinist, kraanmachinist bij incidentele, kortdurende handelingen buiten de cabine
  • operator schredder zonder cabine langdurige blootstelling
  • handmatig sorteerder van diverse afvalstromen
  • handpicking sorteerband zonder cabine langdurige blootstelling, die hoog is bij het verwerken van bouw- en sloopafval
  • uitblazen en vervanging van stoffilters van arbeidsmiddelen en installaties
  • onderhoudspersoneel van arbeidsmiddelen en voertuigen en installaties waaronder afzuiginstallaties en stoffilters in hallen
  • analist monster van aangevoerd afval

Tevens is (secundaire) blootstelling mogelijk bij het niet dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen en werkkleding, onzorgvuldig gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, onvoldoende onderhoud van persoonlijke beschermingsmiddelen, niet ontsmetten of reinigen van werkkleding, bij verplaatsen van vervuilde werkkleding naar schone ruimtes, contact met andere medewerkers en dergelijke.

Gezondheidseffecten

De blootstelling van medewerkers is met name via inademing van stof en in mindere mate via huidopname. Biologisch actief stof moet dus niet in de ademzone voorkomen. Stof dat wordt ingeademd kan effecten in de luchtwegen geven, zoals ontstekingen of allergische reacties. Als het stof op de huid terecht komt, kan het infecties aan de huid veroorzaken en eczeem-achtige klachten geven.

Omdat de mens voor alles dat het lichaam binnendringt natuurlijke afweermechanismen heeft, zal niet elk contact met biologisch actief stof tot gezondheidseffecten leiden. Belangrijke factoren hierbij zijn de hoeveelheid stof, de samenstelling van het stof en de mate waarin deeltjes die aan het stof gehecht zijn ziekmakend vermogen hebben. De kans op gezondheidseffecten is bij een neerwaarts gerichte luchtstroom (zogenoemde down-flow ventilatie) en bij werkzaamheden in de buitenlucht lager dan in een hal vanwege de vermenging met schone lucht.

Welke maatregelen zijn verplicht?

De werkgever is verplicht om de blootstelling aan biologisch actief stof te beoordelen. Indien de blootstelling te hoog is, is het verplicht om maatregelen te nemen om de blootstelling te beheersen. Een zeer effectieve maatregel is het Gebruiken van een overdrukcabine op mobiele arbeidsmiddelen. Bij zorgvuldig gebruik en periodiek onderhoud geeft de overdrukcabine voldoende bescherming tegen blootstelling aan biologisch actief stof. Daarnaast zijn ook onderstaande maatregelen verplicht; klik voor de inhoud van de betreffende maatregel in de tabel geheel onderaan op deze pagina:

  • Beschrijven biologisch actief stof en maatregelen in RI&E
  • Voorlichten over biologisch actief stof
  • Paragraaf Wat is verplicht? van Dragen werkkleding op het bedrijfsterrein en in installaties
  • Bieden goede sanitaire voorzieningen
  • Verbieden van roken, drinken en eten tijdens het werk
  • Vermijden van stof aan de bron
  • Aanbrengen van afgezogen omkasting
  • Afschermen van transportbanden
  • Ventileren van hallen
  • Minimaliseren blootstelling van werknemers
  • Aanbieden van vaccinatie hepatitis A, hepatitis B en tetanus
  • Medisch behandelen na prik- of snij-incident

Bij ongeval of incident met biologisch agens van categorie 3 of 4 dat kan leiden of heeft geleid tot besmetting van een werknemer:

  • Zo spoedig mogelijk melding aan Inspectie SZW doen

Bij gebruik van arbeidsmiddelen zoals shovels en compactors:

  • gebruiken van overdrukcabine op mobiele arbeidsmiddelen

Bij handmatig sorteren van afvalstromen:

  • toepassen van sorteercabine

Indien direct contact met afval mogelijk is:

Voor de beheersing van de legionellabacterie:

Indien persoonlijke beschermingsmiddelen noodzakelijk zijn om de blootstelling voldoende te beheersen:

  • Gebruiken adembeschermingstofblootstelling
  • Gebruiken persoonlijke beschermingmiddelen
  • Voorlichten over het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen

Indien van toepassing:

Wet en regelgeving 
Meer informatie 
Overeenstemming tussen werknemers en werkgevers

Agressie en geweld

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document
Beschrijving van het risico 

Onder agressie en geweld wordt verstaan voorvallen waarbij een werknemer psychisch of fysiek wordt lastig gevallen, bedreigd of aangevallen onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met het verrichten van arbeid. Ook bedreigingen aan het privé front en thuisadres behoren tot agressie en geweld. 

Agressie en geweld leidt tot werkstress en als dat té lang voortduurt kan dat tot ernstige gezondheidsschade leiden zoals psychische klachten, overspannenheid, burnout en hart- en vaatziekten. Fysieke agressie kan behalve tot stress ook leiden tot lichamelijk letsel. Tot agressie en geweld behoort onacceptabel gedrag zoals schreeuwen, uitschelden, schoppen, slaan, spugen en dergelijke. Dit onderdeel van de arbocatologus richt zich specifiek op het risico Agressie en geweld. Agressie en geweld valt onder de verzamelnaam psychosociale arbeidsbelasting naast werkdruk en de ongewenste omgangsvormen seksuele intimidatie, pesten en discriminatie.

Op de openbare weg gebeurt het regelmatig dat personeel te maken krijgt met agressieve medeweggebruikers, bijvoorbeeld wanneer zij hinder ervaren doordat de doorgang even is geblokkeerd. Daarnaast kan het personeel ook te maken krijgen met geweld of agressiviteit bij klanten. Dit is voornamelijk het geval wanneer personeel moet weigeren afval mee te nemen in verband met de aard van het afval of de wijze waarop het afval is aangeboden. Ook acceptanten en controleurs in de milieustraat en het KGA-depot alsmede bij diverse afvalbewerkende en -verwerkende activiteiten, kunnen om laatstgenoemde redenen met agressie te maken hebben. Agressie en geweld is niet te verwachten op het eigen bedrijfsterrein dat niet voor publiek toegankelijk is.

Agressie is, net zoals lachen en huilen een uiting van emotie. Een persoon is boos en gedraagt zich in dat geval vijandig. In zo’n geval is het belangrijk de persoon op de juiste manier te woord te staan. Als professional moet je altijd je zelfbeheersing bewaren; uiteraard is het wel mogelijk om de ondersteuning van een collega of baas in te roepen.

Mocht er toch een incident plaatsvinden dan is het doen van aangifte belangrijk. Het kan zijn dat de medewerker (het slachtoffer) geen aangifte wilt doen, bijvoorbeeld uit angst voor rancune, of uit angst om zwak over te komen. De werkgever kan in dat geval het beleid hebben om aangifte te doen vanuit de organisatie, omdat de norm is overschreden; daarbij moet de medewerker wel een verklaring over het incident afgeven. Het is dan niet de medewerker die ‘overgevoelig’ of ‘zwak’ is, maar de organisatie vindt dat het gedrag onacceptabel is. De werkgever geeft via een aangifte een krachtig signaal af dat de organisatie agressie niet normaal vindt.

Welke maatregelen zijn verplicht?

De werkgever neemt in elk geval de volgende verplichte maatreglen; klik voor de inhoud van de betreffende maatregel in de tabel geheel onderaan op deze pagina:

  • Beschrijven psychosociale arbeidsbelasting en maatregelen in RI&E
  • Voorlichten over agressie en geweld
  • Paragraaf Wat is verplicht? in Communiceren en alarmeren bij psychosociale arbeidsbelasting (psa)
  • Aanstellen van vertrouwenspersoon
  • Paragraaf Wat is verplicht? in Beperken van agressie en geweld
  • Opvangen slachtoffer en nazorg verlenen na incident
Wet- en regelgeving 

Arbeidsomstandighedenwet

  • Artikel 3 lid 2 Arbowet inzake Het voeren van een beleid ter voorkoming of beperking van psychosociale arbeidsbelasting
  • Artikel 5 Arbowet inzake Inventarisatie en evaluatie van risico's
  • Artikel 8 Arbowet inzake Voorlichting en onderricht
  • Artikel 9 Arbowet inzake Melding en registratie van arbeidsongevallen en beroepsziekten

Arbeidsomstandighedenbesluit

  • Artikel 2.15 van het Arbobesluit inzake Maatregelen ter voorkoming of beperking van psychosociale arbeidsbelasting
Meer informatie 

Voor informatie, advies en hulp bij agressie op het werk kunt u terecht bij verschillende organisaties, zoals:

Beschrijving van het risico 

In de afvalbranche worden met name chauffeurs van machines zoals shovels, compactors, vorkheftrucks, veegmachines, vrachtwagens en dergelijke blootgesteld aan trillingen door het hele lichaam. Trillingen kunnen als hinderlijk en vervelend ervaren worden. Na langdurige blootstelling treedt een zekere vermoeidheid op die het rendement en de nauwkeurigheid van een persoon vermindert. In ergere gevallen veroorzaken trillingen duizeligheid, misselijkheid, evenwichtsstoornissen, blindheid en storingen in de bloedsomloop. Boven een bepaald niveau zijn lichaamstrillingen schadelijk voor de gezondheid. Ze vormen een risico voor pijnklachten in de lage rug en beschadiging van de wervelkolom. Verder kunnen vaat- en zenuwstelsel, botten, gewrichten en spieren worden aangetast en organen verzakken.
Apparaten zoals bladblazers en ander elektrisch handgereedschap veroorzaken trillingen aan de handen en armen. Boven een bepaald niveau zijn handarmtrillingen schadelijk voor de gezondheid. Ze vormen een risico voor pijnklachten in de vingers, de handen en de armen, afslijten van kraakbeen in de gewrichten, vergroeiingen, artritis en kunnen leiden tot het witte-vinger-syndroom.
Het onderscheid in de soorten trillingen is als volgt:

  • Lichaamstrillingen
    Hierbij is het hele lichaam in trilling; de trillingen komen binnen via voeten of zitvlak.
  • Hand-armtrillingen
    De trillingen komen binnen via handen, en ze worden doorgegeven aan polsen, armen en schouders.

Het is onder alle omstandigheden erg belangrijk om het lichaam goed te beschermen tegen kou en vocht omdat koude spieren gevoeliger zijn voor schade door trillingen.

Wet en regelgeving 
Meer informatie 

Veel voorkomende trillingsniveaus zijn:

  • Vrachtwagen: gemiddeld 0,6 m/s² met maximum tot 1,1 m/s²
  • Laad- en graafmachine: gemiddeld 0,8 m/s² met maximum tot 1,9 m/s²
  • Heftruck: gemiddeld 1,0 m/s² met maximum tot 2,3 m/s²
  • Terreinheftruck: gemiddeld 1,4 m/s² met maximum tot 2,3 m/s²

Er is voor blootstelling aan hand-armtrillingen een advieswaarde, een actiewaarde en een grenswaarde.

  • Advieswaarde: de bovenwettelijke, gezondheidkundige grens voor de dagelijkse blootstelling aan hand-armtrillingen is 1 m/s² (tijdgewogen gemiddelde van 8 uur).
  • Actiewaarde ( art. 6.11a Arbobesluit): bij dagelijkse blootstelling aan hand-armtrillingen boven 2,5 m/s² (tijdgewogen gemiddelde van 8 uur) dienen de wettelijk voorgeschreven acties te zijn: voorlichting aan medewerkers, duur van blootstelling beperken, aanpassen van werkmethoden of toepassen van technische maatregelen.
  • Grenswaarde (art. 6.11a Arbobesluit): bij dagelijkse blootstelling aan hand-armtrillingen boven 5 m/s² (tijdgewogen gemiddelde van 8 uur) moet de werkgever onmiddellijk maatregelen nemen om de blootstelling te verminderen tot onder de grenswaarde.
Overeenstemming tussen werknemers en werkgevers

Asbesthoudend afval

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document
Beschrijving van het risico 

Asbest is een verzamelnaam voor een aantal in de natuur voorkomende mineralen die zijn opgebouwd uit fijne, microscopisch kleine vezels. Asbestvezels zijn met het blote oog niet zichtbaar. Er zijn een aantal verschillende asbestmineralen waarvan de vezels onder te verdelen zijn in twee verschillende hoofdgroepen:

  • de spiraalvormige ofwel serpentijnachtige, te weten chrysotiel (wit asbest);
  • de rechte ofwel amfibolen, waaronder crocidoliet (blauw asbest), amosiet (bruin asbest), en af en toe anthofylliet, tremoliet en actinoliet.

Asbest is in het verleden veel gebruikt voor zeer uiteenlopende toepassingen, bijvoorbeeld in gebouwen en woningen, vanwege de goede eigenschappen. Het is sterk, slijtvast en isolerend en bovendien goedkoop. Asbest is bestand tegen logen, zuren en hoge temperaturen.

Asbesthoudende afvalstoffen zijn afvalstoffen die asbestvezels bevatten of daarvan niet te onderscheiden zijn. Asbestverdachte materialen worden veiligheidshalve behandeld als asbesthoudend materiaal.

Gezondheidsaspecten

Asbestvezels kunnen bij inademing diep in de longen doordringen en daar asbestziekten veroorzaken, namelijk asbestose (stoflongen), asbestpleuritis, longkanker, mesothelioom (zowel aan longvlies, buikvlies als hartzakje) en pleura verdikking. Asbestziekten kunnen zich pas tientallen jaren nadat de blootstelling aan asbestvezels heeft plaatsgevonden, openbaren en zijn niet of nauwelijks te genezen. In Nederland sterven jaarlijks naar schatting meer dan 700 mensen aan de asbestziekten veroorzaakt door blootstelling van langer dan 10 jaar geleden.

Er is geen blootstelling aan asbestvezels zolang asbesthoudend materiaal correct verpakt is.

Bij het inzamelen, bewerken en storten van huishoudelijk- en bedrijfsafval bestaat de kans dat werknemers onverwacht in aanraking komen met vezels van asbesthoudende materiaal dat al dan niet onbedoeld in het huishoudelijk afval of bedrijfsafval terecht is gekomen. De kans op inademen van vezels is het grootst als het om onverpakt niet-hechtgebonden asbest gaat waardoor het risico op inademen toeneemt. Medewerkers moeten weten hoe ze moeten omgaan met situaties waarin afval onverpakt wordt aangeleverd of de verpakking kapot is.

In geval van een incident met asbest moet een instructie hoe te handelen aanwezig zijn zoals deze voorbeeld werkinstructie asbestincident.

Inzamelen

In geval van een incident met onverpakt of slecht verpakt asbest wordt het materiaal vochtig gemaakt en uit voorzorg wordt er gebruik gemaakt van adembescherming P3. De kans die beladers bij het inzamelen van huishoudelijk- en bedrijfsafval hebben, is dat werknemers onverwacht in aanraking komen met onverpakt of slecht verpakt asbest wat al dan niet onbedoeld in het afval terecht is gekomen. De belangrijkste uitgangspunten bij afvalinzameling zijn Wat moet en wat mag bij asbest?

Milieustraat

In geval van een incident met onverpakt of slecht verpakt asbest wordt het materiaal vochtig gemaakt en uit voorzorg wordt er gebruik gemaakt van adembescherming P3. In de milieustraten staan speciale asbestcontainers waar burgers luchtdicht verpakt asbesthoudend afval kunnen brengen. Het risico bij het inzamelen van asbesthoudend afval in de milieustraat is dat medewerkers in de milieustraat in aanraking komen met asbest welke onjuist verpakt in de milieustraat wordt aangeboden. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer aanbieders van afval onvoldoende op de hoogte zijn van de geldende regels met betrekking tot het aanbieden van asbest afval in de milieustraat. Daarnaast kan het ook zijn dat aanbieders in de milieustraat niet weten dat hun afval asbest bevat of dat asbestafval onjuist verpakt wordt aangeboden in de milieustraat.

Bewerken

In geval van een incident met onverpakt of slecht verpakt asbest wordt het materiaal vochtig gemaakt en uit voorzorg wordt er gebruik gemaakt van adembescherming P3. Ook medewerkers bij het bewerken van afval (sorteren, breken en verzagen) kunnen in aanraking komen met asbest. Dit kan doordat ontdoeners, soms zonder het zelf te weten, afval aanleveren waarin asbesthoudend materiaal aanwezig is.

Storten

In geval van een incident met onverpakt of slecht verpakt asbest wordt het materiaal vochtig gemaakt en uit voorzorg wordt er gebruik gemaakt van adembescherming P3. De kans op blootstelling aan asbestvezels op stortplaatsen bestaat eruit dat behalve verpakt asbesthoudend materiaal, ook wel eens onverpakt asbest tussen het stortafval zit, bijvoorbeeld als de dubbele zak waarin het is aangeboden, gescheurd is of omdat het zich in los stortmateriaal bevindt. Daarnaast kan asbest in grond en in bodemas (slak) voorkomen.

Storten asbesthoudende grond (bulk)

Er is een uitzondering op de regels voor het verpakken van asbesthoudende materialen: asbesthoudende grond mag los worden gestort. Vochtig houden om stofverspreiding te voorkomen geldt als maatregel voor grond die verontreinigd is met asbest; een percentage bodemvocht van 10% is voldoende om stofverspreiding tegen te gaan. Indien het droge stof gehalte meer dan 100 mg asbest per kilogram grond is, dan dient de maatregel Behandelen van asbesthoudende grond te worden gehanteerd.

Overige situaties

In overige situaties dient een gecertificeerde asbestinventariseerder (DIA) een asbestinventarisatierapport (bekend als SC-540 rapport) op te stellen. Op basis van de aanwijzingen in het asbestinventarisatierapport dient de opdrachtgever een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf (bekend als SC-530 bedrijf) de sanering te laten uitvoeren in geval er asbest in de risicoklasse 2/2A aanwezig is. Sinds 1 januari 2017 is er geen risicoklasse 3 meer.

Wet en regelgeving 
Beschrijving van het risico 

Bij het shredderen van hout komt stof vrij. Dit vrijkomende houtstof kan door werknemers worden ingeademd of op de huid terecht komen, waarna negatieve effecten op de gezondheid kunnen ontstaan. Naast gezondheidseffecten is hout een brandstof en ontstaat onder bepaalde omstandigheden gevaar voor stofexplosie. Een stofontploffing kan optreden als houtstof in fijn verdeelde vorm wordt opgewerveld, zoals in een stofzak van een afzuiging, én intensief met lucht -of een ander zuurstofhoudend gas- wordt gemengd voordat hierbij een ontsteking komt.

Het gezondheidseffect van de verschillende houtsoorten is verschillend. Een aantal houtsoorten bevat bestanddelen die irriterende, allergene of kankerverwekkende eigenschappen hebben. De mate hiervan is per houtsoort verschillend. De gezondheidsrisico's en gezondheidseffecten variëren door:

  • de houtsoort
  • het type bewerking
  • de afmetingen en het gewicht van de houtstofdeeltjes
  • het verschil in giftige werking (toxiciteit)
  • het verschil in vochtgehalte

De belangrijkste gezondheidsklachten die werknemers hebben als zij worden blootgesteld aan houtstof zijn:

  • Hardhoutstof is opgenomen op de wettelijke lijst kankerverwekkende stoffen, met als voetnoot dat als definitie voor hardhout hout van bedektzadigen wordt bedoeld. Voorbeelden van hardhout zijn: berk, beuk, eik, els, es, esdoorn, esp, haagbeuk, iep, kastanje, kers, linde, notenboom, plataan, populier, walnoot, wilg en de tropische hardhoutsoorten balsa, ebbe, iroko, kauriden, mahonie, mansonia, meranti, palissander en teak.
  • Huidaandoeningen: contact met houtstof kan irritatie en ontsteking van de huid tot gevolg hebben. Dit kan overgaan in een chronisch huideczeem. Personen die daarvoor gevoelig zijn, krijgen een allergische huidreactie als gevolg van bepaalde stoffen in het hout. Eczeem kan ontstaan op de handrug, het hoofd en de hals. Andere huidklachten zijn huidverkleuringen en ontstekingen van haarwortels.
  • Oogaandoeningen: het oogbindvlies kan ontstoken raken als gevolg van contact met houtstof. De verschijnselen hiervan zijn onder andere pijn, tranende ogen, ettervorming en lichtschuwheid (het niet kunnen verdragen van licht).
  • Luchtwegaandoeningen: houtstof kan overgevoeligheidsreacties veroorzaken, zoals niezen, loopneus, bloedneus, hoesten, astma en astmatische bronchitis. Veel luchtwegaandoeningen zijn een allergische reactie op houtstof. Allergieën worden vaak in de loop der jaren opgebouwd. Iemand kan dus jaren zonder problemen in een stoffige ruimte werken en plotseling last krijgen van allergische verschijnselen.
  • Neuskanker: stof van verschillende houtsoorten kan kanker veroorzaken, onder meer hout van berk, esdoorn, haagbeuk, beuk, populier, iroko en mahonie.
  • Kankerverwekkende toevoegingen: hout kan kankerverwekkende toevoegingen waaronder formaldehyde, bevatten. Dergelijke stoffen komen voor in bepaalde lijmen en middelen voor houtverduurzaming.
Wet en regelgeving 
Meer informatie 
  • AI-blad nr. 6 Werken met kankerverwerkende stoffen en processen
  • Basisinspectiemodule van Inspectie SZW Stofexplosiegevaar (2015)
  • Aanpak inhaleerbare allergene stoffen op de werkplek. SER advies 2009
  • Risico houtstof op website Arboportaal
  • De Gezondheidsraad heeft in juli 2000 een gezondheidskundige grenswaarde voor houtstof van 0,2 mg/m³ geadviseerd, daarbij ervan uitgaande dat houtstof wordt beschouwd als (carcinogene) stof met drempelwaarde. Wanneer echter houtstof wordt beschouwd als carcinogene stof zonder drempelwaarde dan zou, conform de aanpak met risicogrenzen, een grenswaarde moeten liggen tussen de 0,06 mg/m³ en 5,8 mg/m³ als TGG-8uur. Voor hardhout is inmiddels vast komen te staan dat sprake is van een carcinogene stof; zachthout is als verdacht carcinogeen aangemerkt. 
  • In een (verdeeld) advies (2007) van de SER is aan de Minister voorgesteld om de wettelijke grenswaarde voor hardhoutstof per 1 januari 2009 te verlagen tot 1 mg/m³ inhaleerbaar stof (0,5 mg/m³ voor totaal houtstof), gemeten over een 8-urige werkdag, wat wordt gebaseerd op de aanbeveling uit het rapport SCOEL (2003). De SCOEL constateert dat blootstelling boven 1 mg/m³ inhaleerbaar stof kan leiden tot schadelijke effecten aan de longen.
  • Afvalhout bestaat voornamelijk uit:
    • afvalhout ontstaan bij het bouwen en slopen van bouwwerken (raam- en deurkozijnen, kapconstructies, stijl- en regelwerk)
    • plaatmaterialen uit de (stand)bouw
    • pallets
    • houten meubels (kasten, tafels, magazijnstellingen e.d.)

    Het hout dat hiervoor wordt gebruikt is voornamelijk vurenhout. Het Nederlandse woord vuren is de genormeerde naam voor het hout van de fijnspar (Picea abies). Dit hout is niet alleen makkelijk te bewerken maar ook relatief goedkoop. Het wordt ook veel verkocht in doe-het-zelf bouwmarkten. In Nederland is vuren de meest gebruikte naaldhoutsoort, en daarmee de meest gebruikte houtsoort. Gelet op de herkomst van het afvalhout zal dit voor circa 60 tot 80% uit vurenhout bestaan. Hout van de fijnspar wordt niet gezien als hardhout.

Pagina's

Abonneren op RSS - Gezondheid
randomness